Bomen vormen elk jaar een nieuwe groeilaag, de zogenaamde jaarringen. Deze ringen ontstaan doordat bomen in het voorjaar en de zomer sneller groeien dan in de herfst en winter. Elke jaarring bestaat uit een lichter, poreus deel en een donkerder, dichter deel. Door het aantal jaarringen te tellen, kan men nauwkeurig bepalen hoe oud een boom is.

De breedte van de ringen vertelt ook iets over de omstandigheden waarin de boom groeide. Brede ringen wijzen op gunstige omstandigheden met voldoende water, licht en voedingsstoffen. Smalle ringen duiden juist op moeilijke periodes, zoals droogte of kou. Door jaarringen te bestuderen, kunnen wetenschappers niet alleen de leeftijd van bomen bepalen, maar ook informatie verzamelen over het klimaat en de omgeving in het verleden. Deze methode heet dendrochronologie en wordt veel gebruikt in onderzoek naar milieugeschiedenis en ecologie.

Meer informatie: www.euroki.org