Schapen eten vooral gras en halen daar bijna al hun voedingsstoffen uit. Hun unieke maag, die uit meerdere compartimenten bestaat, maakt het mogelijk om taaie plantenvezels te verteren die voor veel andere dieren onbruikbaar zijn.

Dankzij deze eigenschap zijn schapen al eeuwenlang belangrijk voor boeren. Ze kunnen gras omzetten in wol, melk en vlees, waardoor ze waardevol zijn voor de landbouw. Bovendien helpen schapen bij het beheren van het landschap: door te grazen houden ze graslanden open en stimuleren ze de groei van verschillende plantensoorten.

Het vermogen van schapen om te leven van gras laat zien hoe goed sommige dieren zich hebben aangepast aan hun voedselbron. Dit maakt schapen tot een bijzonder voorbeeld van gespecialiseerde planteneters in de natuur.