De kameel is een dier dat al duizenden jaren een trouwe metgezel is van de mens in droge en woestijnachtige gebieden. Kamelen werden al in de oudheid gebruikt als lastdier en zelfs in oorlogen, vooral in Azië en Afrika. Er zijn twee hoofdsoorten: de dromedaris met één bult en de bactrische kameel met twee bulten. Beide soorten zijn uitstekend aangepast aan het leven in extreme hitte en droogte.

Wat de kameel zo bijzonder maakt, is zijn enorme uithoudingsvermogen. Dankzij de vetreserves in zijn bult kan hij lange tijd zonder voedsel en water. Dit vet wordt omgezet in energie en water wanneer het dier niets te eten of drinken heeft. Hierdoor kan een kameel tot wel 300 kilometer afleggen zonder te drinken, vier dagen zonder water en meer dan een week zonder voedsel.

Kamelen hebben ook andere aanpassingen: hun neusgaten kunnen sluiten tegen zand, hun lange wimpers beschermen de ogen en hun brede, platte voeten zorgen ervoor dat ze niet wegzakken in het zand. Deze eigenschappen maken de kameel onmisbaar voor nomaden en reizigers in de woestijn.

Meer informatie: wvw.nacion.com