In de westerse cultuur wordt de appel vaak gezien als de vrucht van de verleiding uit het verhaal van Adam en Eva. Opmerkelijk genoeg wordt in de Bijbel zelf nooit vermeld om welke vrucht het precies gaat. De koppeling tussen de appel en de verboden vrucht ontstond vooral door een Latijns woordspel: het woord 'malus' betekent zowel 'appel' als 'kwaad'. Hierdoor werd in Europa de appel steeds vaker afgebeeld als de verboden vrucht.

Toch waren in het oude Midden-Oosten vruchten als vijgen en druiven veel gebruikelijker, waardoor sommige geleerden denken dat een van deze vruchten bedoeld kan zijn. Tijdens de Renaissance kozen kunstenaars er echter voor om de appel centraal te stellen in hun schilderijen van het paradijs. Zo groeide de appel uit tot hét symbool van verleiding en de erfzonde. Tegenwoordig komt dit beeld nog steeds terug in kunst, literatuur en populaire cultuur, ook al is het bijbelse bewijs hiervoor eigenlijk vrij beperkt.