Een besturingssysteem vormt het hart van elke computer en zorgt ervoor dat alle hardware en software goed samenwerken. Het regelt de communicatie tussen de gebruiker en de computer, waardoor programma's soepel kunnen draaien. De eerste besturingssystemen ontstonden in de jaren 50 en werkten vooral met batchverwerking, waarbij gebruikers hun taken vooraf moesten indienen. Tegenwoordig zijn Windows, macOS en Linux de bekendste systemen, elk met hun eigen kenmerken en gebruiksvriendelijke interfaces.

Het besturingssysteem zorgt ervoor dat de processor, het geheugen en de opslag optimaal worden benut. Het verdeelt taken, beheert het geheugen en regelt invoer en uitvoer, zoals toetsenbord en muis. Zonder besturingssysteem zou een computer niet bruikbaar zijn, omdat er geen manier is om programma's te starten of hardware aan te sturen. Dankzij innovaties zoals de grafische gebruikersinterface, die populair werd door de Macintosh in 1984, is het werken met computers veel toegankelijker geworden. Het besturingssysteem blijft dus onmisbaar voor elke computergebruiker.