Gummen zijn uitgevonden in de 18e eeuw toen men ontdekte dat rubber potloodstrepen kon verwijderen. Vóór die tijd gebruikte men brood om fouten uit te wissen. Tegenwoordig worden gummen gemaakt van verschillende materialen, zoals rubber, vinyl of kunststof. Vaak zitten ze aan het uiteinde van een potlood, zodat je snel en gemakkelijk fouten kunt corrigeren. Door wrijving tussen de gum en het papier wordt het grafiet van het potlood losgemaakt en weggehaald. Dit maakt het mogelijk om netjes te werken en fouten te herstellen zonder het papier te beschadigen. Gummen zijn niet alleen handig op school of kantoor, maar worden ook door kunstenaars gebruikt om lichteffecten en details in tekeningen aan te brengen. Zo is de gum een onmisbaar hulpmiddel geworden voor iedereen die met potlood werkt.