Slangen hebben een unieke manier van voortbewegen: ze kronkelen hun lange, flexibele lichaam in een golvende beweging. Dit heet serpentinebeweging. Door hun lichaam in bochten te buigen, kunnen ze snel over verschillende oppervlakken glijden, zoals aarde, zand en zelfs water. Slangen hebben geen poten, dus hebben ze verschillende technieken ontwikkeld om zich voort te bewegen, waaronder het kronkelen als een accordeon of het klimmen in bomen.

De buikschubben van een slang zorgen voor extra grip, waardoor ze zelfs over gladde of steile oppervlakken kunnen kruipen. Sommige soorten, zoals zeeslangen, zijn uitstekende zwemmers en gebruiken dezelfde golvende bewegingen in het water. In de woestijn kunnen slangen zich zelfs zijwaarts voortbewegen, wat karakteristieke sporen in het zand achterlaat. Deze bijzondere manier van bewegen helpt slangen te overleven in allerlei leefomgevingen.