Om Japans te kunnen lezen, moet men niet één, maar drie verschillende schriftsystemen leren: Kanji, Hiragana en Katakana. Hierdoor wordt het Japanse schrift als een van de moeilijkste ter wereld beschouwd.

Kanji – de Chinese karakters

Kanji betekent letterlijk 'Chinese karakters' (afgeleid van 'Han' = Chinees volk, 'ji' = karakter). Japanners gebruiken ze voor zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. Er zijn in totaal ongeveer 50.000 karakters, waarvan een klein aantal in Japan is ontwikkeld. De meeste zijn echter identiek aan de Chinese karakters. Hierdoor kunnen Chinezen vaak de strekking van een Japanse tekst begrijpen, zelfs als ze de grammatica niet kennen.

Hiragana – 'vrouwenhandschrift'

In de 7e en 8e eeuw begonnen hofpoëten de Chinese karakters los te koppelen van hun betekenis en ze uitsluitend als fonetische symbolen te gebruiken voor artistieke doeleinden. Hieruit ontstonden de twee syllabische alfabetten Hiragana en Katakana, elk met 46 karakters. Elk karakter vertegenwoordigt een lettergreep.

Katakana – voor alles wat vreemd is

Katakana werd kort na Hiragana ontwikkeld door boeddhistische monniken. Het ontstond als een soort afkorting voor ingewikkelde Kanji en werd aanvankelijk gebruikt voor het maken van aantekeningen tijdens religieuze lezingen.

Meer informatie: www.planet-wissen.de